Weer verder met ‘Hölderlin, biografie van een mysterieuze
dichter’ van Rüdiger Safranski.
Verder met
Hoofdstuk 13
‘Zo ver gaat de hymne niet. Hij breekt af met de versregels die in verband met
de alomtegenwoordige haat alleen
nog het gedijen in de duisternis benoemen:
Zo hebt gij veel gebouwd,
En veel ook begraven,
Want het haat u, wat
Gij, vóór de tijd
Alkrachtige, in het licht gegeven.
Nu kent gij, nu laat gij dat:
Want gaarne gevoelloos rust
Tot het rijpt, het angstig – bedrijvige beneé.
(MA I, 366; v. 149-156)
Met die regels breekt het fragment af. Een helder thema, een duistere tekst. Dat
heeft Hölderlin zelf gemerkt, want
hij schrijft in een opmerking die voorafgaat aan het bij zijn leven nooit
gepubliceerde gedicht:’Ik verzoek dit vel alleen
met een goed gemoed te lezen. Dan zal het zeker niet onbevattelijk en nog minder
aanstootgevend zijn. Maar zouden
enkelen een dergelijke taal toch nog te weinig conventioneel vinden, dan moet ik
toegeven: ik kan niet anders’ (MA I, 361).
(Bladzijde 206-207) Morgen verder met dit hoofdstuk 13.