Weer verder met ‘Hölderlin, biografie van een mysterieuze
dichter’ van Rüdiger Safranski.
Verder met
Hoofdstuk 14
‘Maar Hölderlin reageerde er in eerste instantie helemaal niet op, hij was te
neerslachtig en in de war, en toen
hij wat tot bezinning gekomen was, aarzelde hij, omdat hij de te innige nabijheid
schuwde en ook niet financieel
afhankelijk wilde worden van zijn vriend. Inderdaad bood Sinclair hem steeds weer
geld aan, zij het op zeer no-
bele wijze. Als Hölderlin zich in de zomer van 1804 toch laat ompraten en weer
naar Homburg gaat, zorgt Sinclair
ervoor dat Hölderlin benoemd wordt tot hofbibliothecaris met een inkomen dat hij
uit eigen zak betaalt zonder dat
Hölderlin daarvan op de hoogte is.
Terug naar het moment waarop Hölderlin Sinclairs brief met het
overlijdensbericht ontvangt. Hij was zo geschokt
dat hij het in Stuttgart niet meer uithield; hij vluchtte weer terug naar
Nürtingen, naar zijn moeder en zus. Daar werd
alles nog erger. Waiblinger, die zich wellicht baseerde op een mededeling van
Karl Gok, schrijft: ‘In Nürtingen bij zijn
moeder aangekomen joeg hij haar en alle huisbewoners in razernij de deur uit’
(Waiblinger, 296). Je kunt je goed voor-
stellen hoe moeder en zus geschrokken, beschaamd, gealarmeerd op straat staan,
want zo’n aanval van razernij had-
den ze nog nooit van hem gezien; tot dat moment was Hölderlin voor zijn moeder
altijd de lieve zoon geweest, die ver-
der helaas niet wilde wat zij wilde.’
(Bladzijde 221) Morgen verder met dit hoofdstuk 14.