Weer verder met ‘Hölderlin, biografie van een mysterieuze
dichter’ van Rüdiger Safranski.
Verder met
Hoofdstuk 13
‘Maar de scheppende geest is aan gevaren blootgesteld. Hölderlin grijpt weer
terug op de mythe van Dionysos,
die de bliksem van Zeus in het lichaam van Semele overleefde en daardoor zelf een
bliksem kon worden die in
het gewone leven inslaat, nu eens ontvlammend en bezielend, dan weer vernietigend
en verterend. De dichter
heeft dus moed nodig zich bloot te stellen en zich over te geven aan zijn
inspiratie:
Maar ons betaamt het, onder goddelijk onweer,
Gij dichters! met ontblote hoofden te staan,
Des Vaders straal, hemzelf, met eigen hand
Te grijpen en het volk, in ’t lied
Gehuld, de hemelse gave te reiken.
(MA I, 263; v. 56-60)
De volgende versregels beschrijven hoe het geweld van het goddelijke de dichter
ongedeerd laat, als hij ‘zuiver
van hart’ is. Maar dan breekt het ontwerp af met een ‘Maar wee mij! als van’
[…], en na enkele lege regels in het
manuscript nogmaals ‘Wee mij!’ Daarna weer een leemte.’
(Bladzijde 208) Morgen verder met dit hoofdstuk 13.