Weer verder met ‘Hölderlin, biografie van een mysterieuze
dichter’ van Rüdiger Safranski.
Verder met
Hoofdstuk 13
‘Het hybrismotief, dat al in ‘Hyperion’ een rol speelt en vervolgens ook in
‘Empedocles’, is hoorbaar. In deze hymne
‘Wanneer als op een rustdag …’ wilde en kon Hölderlin het niet
voortzetten, hij liet de leemte staan.
Maar nu gebeurt er iets opmerkelijks, dat in de handgeschreven tekstversie te
reconstrueren valt. Uit de leemte van
de onvoltooide hymne groeit een ander gedicht, ongetwijfeld een van de volmaakste
en mooiste in de Duitse taal. Om
het ‘Wee mij’ heen noteert Hölderlin trefwoorden als ‘De roos’ en
‘lieflijke zuster!’ En hij kriebelt de volgende tekstfrag-
menten in de kleine ruimte links:
‘Waar neem ik als het winter is
De bloemen’
en in het midden:
‘en dronken van
Kussen dompelt gij
Het hoofd in heilignuchtre koele
Wateren’
We worden dus getuige van de langzame wording van het gedicht ‘Helft van het
leven’, vanuit de leemte van de hymne,
aansluitend op dat ‘Wee mij’, een klacht die dan naar het andere gedicht
verhuist en daar exact het midden en het keer-
punt markeert tussen de levendige en welbepraakte schoonheid enerzijds en het
beeld van verstarring en sprakeloosheid
anderzijds.’
(Bladzijde 209-210) Morgen verder met dit hoofdstuk 13.