Weer verder met ‘Hölderlin, biografie van een mysterieuze
dichter’ van Rüdiger Safranski.
Verder met
Hoofdstuk 13
‘Hij is weer geheel betoverd door de landschappelijke schoonheid rondom het
Bodenmeer en in zijn geboorte-
streek, wanneer hij terugkeert: ‘Gelijk hem lief is, en nu weer een leven
begint,/ Lieflijkheid bloeit, als eens, en
een waakzame geest komt,/ En een frisse moed weer de vleugels spreidt’ (MA I,
320; v. 34-36).
Hij droeg dat gedicht met zoveel woorden aan zijn ‘familieleden’ op, bij
wie hij zich in de eerste weken na zijn
terugkeer weer thuis voelde. Maar al spoedig keren de oude zorgen terug. Zolang
hij zonder baan was, kon het
consistorie hem in de positie van predikant dwingen. Zijn financiële middelen
waren uitgeput, hij wilde niet op
de zak van zijn moeder teren en dus greep hij nog eenmaal, voor het laatst, terug
op het oude plan om te pro-
beren in Jena een docentschap te krijgen.
Op 2 juni 1801 schreef hij daarom een brief aan Schiller, wat hem bepaald niet
makkelijk gevallen zal zijn,
want zijn laatste brief uit september 1799, waarin hij na het mislukken van zijn
‘Iduna’- project al eens gezin-
speeld had op zijn Jena-plan, was onbeantwoord gebleven.’
(Bladzijde 211) Morgen verder met dit hoofdstuk 13.