Weer verder met ‘Hölderlin, biografie van een mysterieuze
dichter’ van Rüdiger Safranski.
Verder met
Hoofdstuk 17
‘Ook hier had Nietzsche de trefwoorden aangeleverd, want hij had niet alleen de
dood van God verkondigd, maar
had ook de spot gedreven met de religieuze fantasieloosheid van zijn tijd en had
gevraagd: Waarom nog steeds
geen nieuwe God?! De nieuw-religieuze bewegingen ontdekten hun Boeddha,
Zarathustra of Dionysos, er werd
uitgekeken naar nieuwe openbaringen. Hölderlin met zijn goden paste perfect in
die geestelijke atmosfeer. Wilhelm
Dilthey, de academische preceptor van de levensfilosofie, schreef in 1905 in een
essay, dat baanbrekend was voor
Hölderlins aanzien in de academische wereld: ‘Het is een oud geloof dat in
ongerepte zielen de goden zich kenbaar
maken en de toekomst der dingen openbaren. Hölderlin leefde in een dergelijke
zorgvuldig gekoesterde zuiverheid
en in de pure schoonheid van het wezen’ (Dilthey, 242).
In Hölderlin hebben zich nieuwe goden kenbaar gemaakt, verklaarde die
hoogleraar dus, zonder ambitie daar verder
iets mee te doen. In tegenstelling tot de dichter Stefan George, die verrukt was
over de nieuwe goden van Hölderlin en
die bepaald van zins was er iets mee te doen – voor zichzelf, maar ook voor een
geheel nieuwe cultuur die hij met een
daarbij passend zelfbewustzijn in het leven wilde roepen. Zijn ‘kring’ moest
daar een voorloper van zijn.’
(Bladzijde 265) Morgen verder met dit hoofdstuk 17.