Weer verder met ‘Hölderlin, biografie van een mysterieuze
dichter’ van Rüdiger Safranski.
Verder met
Hoofdstuk 17
‘Als we de dingen en het leven tot en met de elementaire bestanddelen
analyseren, dan zullen we, leert dat geloof,
het bedrijfsgeheim van de natuur ontdekken. Als we te weten komen hoe alles
gemaakt is, zijn we in staat het na te
maken. Er is hier een bewustzijn werkzaam dat alles wil doorgronden, ook de
natuur, die we – via het experiment –
op heterdaad moeten betrappen en waaraan we, als we weten hoe het gaat, tonen hoe
de vork in de steel zit.
Nietzsche sprak met het oog op dat tijdperk over de verandering van de
samenleving in een werkinrichting. Ver
boven de praktische betekenis uit werd werk het uitgangspunt van alle belangen en
waardeoordelen. Arbeid werd
het nieuwe heiligdom, een soort mythe die de samenleving bijeenhoudt. Het beeld
van de grote maatschappijmachine,
die van individuen radertjes en schroefjes maakt, werd het brandpunt van de
zelfduiding van de mens en gaf de grens
van zijn oriëntatie aan. De samenleving en de overheersende geestelijke houding
hadden zich dus ontwikkeld in een
richting die Hölderlin voorvoeld en gevreesd had: de ‘godennacht’.
Maar juist ook dóór Nietzsche, die een groot publiek na zijn instorting van
1890 begon te ontdekken, was de geeste-
lijke sfeer zo veranderd dat die ook de herontdekking van Hölderlin
bevorderde.’
(Bladzijde 263-264) Morgen verder met dit hoofdstuk 17.