Weer verder met ‘Hölderlin, biografie van een mysterieuze
dichter’ van Rüdiger Safranski.
Verder met
Hoofdstuk 13
‘Net als bij Tantalus gaat het om een helleval. Te dicht bij het goddelijke,
daarna de verstarring als straf. De schoon-
heid als het begin van de verschrikking.
Met gele peren neigt
En vol met wilde rozen
Het land naar het meer,
Gij lieflijke zwanen,
En dronken van kussen
Doopt gij het hoofd
In ’t heilignuchtere water.
Wee mij, waar haal ik, als
Het winter is, de bloemen, en waar
De zonneschijn,
En schaduw der aarde?
De muren staan
Sprakeloos en kil, in de wind
Knersen de weerhanen.
(MA I, 445).’
(Bladzijde 210) Morgen weer verder met dit hoofdstuk 13.