Weer verder met ‘Hölderlin, biografie van een mysterieuze
dichter’ van Rüdiger Safranski.
Verder met
Hoofdstuk 13
‘Minder aantrekkelijk vond Hölderlin het dat het tot zijn taak zou gaan
behoren af en toe in de kleine Duitse kolo-
nie te prediken. Dat wilde hij koste wat kost niét, en er moest dus uitvoerig
onderhandeld worden, tot hem werd
toegestaan dat hij ‘van de plicht tot prediking gedispenseerd’ werd (MA II,
910).
Hölderlin nam het aanbod aan. Hij liet zich daarmee toch weer in met een rol
waarover hij even tevoren aan
Schiller had geschreven dat die hem noodlottig kon worden. Na zijn besluit
schreef hij vanuit Stuttgart aan zijn
moeder enkele regels waarin zijn diepe berusting schuilgaat onder laconieke
ironie: ‘Ik moet het afhankelijke le-
ven in, op welke manier dan ook, en kinderen opvoeden is een bijzonder gelukkig
werk, omdat het zo onschuldig
is’ (id.).
De tijd van het afscheidnemen brak aan. Hölderlin deed het in het bewustzijn
dat het voorgoed kon zijn. Het ver-
trek, zo leek hem, kon het afscheid voor altijd betekenen. Aan zijn broer schreef
hij: ‘Zoveel kan ik wel toegeven dat
ik in mijn leven nooit zo stevig geworteld ben in het vaderland, in het leven
nooit de omgang van de mijnen zozeer heb
gewaardeerd, dat ik iets anders gewenst heb dan die graag te behouden’ (MA II,
911). Dan volgt het enigszins raadsel-
achtige verzoek hem alles te vergeven wat zou kunnen verhinderen ‘dat het
zuiver is tussen ons’.’
(Bladzijde 213-214) Morgen verder met dit hoofdstuk 13.