Weer verder met ‘Hölderlin, biografie van een mysterieuze
dichter’ van Rüdiger Safranski.
Verder met
Hoofdstuk 15
‘Sinclair liet Hölderlin aan zijn lot over. Vanaf dat moment bestond voor
hem de levende Hölderlin niet meer. Maar
hij behoorde met Susette tot de eerste mensen bij wie Hölderlin in zijn werk en
als mythe voortleefde. Hij zal voor
Hölderlin hartstochtelijk blijven pleiten en zorgvuldig registreren waar blijken
van waardering of zelfs roem zich voor-
doen. Hij schreef bijvoorbeeld aan prinses Marianne in Homburg als antwoord op de
vraag hoe het met Hölderlin ging,
met trotse tevredenheid: de gebroeders Schlegel, Tieck en Brentano waren intussen
‘de grootste bewonderaars van
Hölderlin’ (gecit. naar Kirchner, 181).
Dat schreef hij enkele dagen nadat Hölderlin op 11 september 1806 in de
vroege ochtend met lichamelijk geweld door
verplegers in een rijtuig was gedwongen en naar het Autenriethsche Klinikum in
Tübingen vervoerd. Hölderlin had zich
hevig verzet, waarschijnlijk omdat hij dacht dat hij werd gearresteerd, net zoals
Sinclair eerder. Hij probeerde meermalen
uit het rijtuig te springen, sloeg op zijn begeleiders in en krabde ze met zijn
lange vingernagels tot bloedens toe. Ze wilden
al rechtsomkeer maken. Maar toen werd de inzittende toch rustig.
Onderweg werd Nürtingen niet aangedaan. Hölderlin heeft zijn moeder
waarschijnlijk nooit meer gezien. Pas vele jaren
later begon hij haar weer brieven te schrijven, de ene na de andere, vormelijk,
als in een gebedsmolen. Het contact was
verbroken, ook innerlijk.’
(Bladzijde 240) Dit was hoofdstuk 15; morgen verder met hoofdstuk 16.