Weer verder met ‘Hölderlin, biografie van een mysterieuze
dichter’ van Rüdiger Safranski.
Verder met
Hoofdstuk 15
‘Daarmee was – voorlopig – een eind gekomen aan de statelijke zelfstandigheid,
en er was dus ook geen plaats
meer voor een hofbibliothecaris. Op 3 augustus 1806 schreef Sinclair aan
Hölderlins moeder:
‘De veranderingen die zich helaas! in de omstandigheden van onze heer
landgraaf hebben voorgedaan […]
noodzaken de landgraaf tot inkrimping en zullen ook mijn aanwezigheid hier
althans gedeeltelijk beëindigen. Het
is daarom niet langer mogelijk dat mijn ongelukkige vriend, wiens waanzin een
zeer hoog niveau heeft bereikt, nog
langer een bezoldiging ontvangt en hier in Homburg blijft, en ik heb de opdracht
gekregen u te verzoeken hem hier
te laten ophalen. Zijn dwalingen hebben het volk hier zozeer tegen hem opgezet
dat tijdens mijn afwezigheid moest
worden gevreesd voor de afschuwelijkste mishandelingen van zijn persoon en dat
een verdere vrijheid van hem zelfs
voor het publiek gevaarlijk zou kunnen worden; en omdat er geen geschikte
instellingen hier te lande zijn, vereist de o-
penbare voorzorg het om hem van hier te verwijderen.
Hoezeer dat me pijn doet, kunt u van mij aannemen, maar voor de noodzaak moet
elk gevoel wijken[…]’ (MA III,643).’
(Bladzijde 239-240) Morgen verder met dit hoofdstuk 15.