Weer verder met ‘Hölderlin, biografie van een mysterieuze
dichter’ van Rüdiger Safranski.
Verder met
Hoofdstuk 13
‘Ditmaal schraapt hij alle moed bijeen en spreekt openhartiger dan anders over
zijn situatie; er is zelfs een zekere
trots te bespeuren, ondanks alle ijverige hoogachting die hij aan de dag legt:
‘ik dacht dat het u niet geheel onaan-
genaam zou zijn te zien dat de druk van de omstandigheden het niet geheel van mij
gewonnen heeft’ (MA II, 903).
Zijn poging om als vrije schrijver te leven was mislukt een daarom had hij als
‘opvoeder’ gewerkt, om te voorkomen
dat hij als ‘vicaris naar een plattelandspredikant’ gestuurd zou worden. De
ondergeschikte positie van huisleraar was
hem echter niet goed bekomen. Ook al was men met hem tevreden, hij kon het niet
met zichzelf zijn, omdat hij zijn ei-
genlijke roeping misliep. En als anderen dat merkten en het betreurden, was hun
medeleven volkomen onverdraaglijk
geweest. Maar het gevaar van berusting had hij dapper getrotseerd. Als hij er
zich niet tegen zou verzetten, liep het al-
lemaal verkeerd met hem af, hij zou dan namelijk – ‘alle talent om me uit te
spreken verliezen!’
Die brief was ook een noodkreet, want hij onthulde dat hij met zijn leven aan
de rand van de afgrond stond. Een van
de twee: hij slaagt erin zijn leven een nieuwe wending te geven, of hij dreigt
volkomen te verstommen.’
(Bladzijde 211-212) Morgen verder met dit hoofdstuk 13.