Weer verder met ‘Hölderlin, biografie van een mysterieuze
dichter’ van Rüdiger Safranski.
Verder met
Hoofdstuk 16
‘ ‘In plaats van een draad die het veelvoudige aaneen moet knopen, lopen er
vele woorden door elkaar en verliezen
zich in een onontwarbaar spinsel, als in een spinnenweb […] Maar er zijn […]
nog veel sublieme metafysische ge-
dachten in zijn hoofd, en verder heeft hij nog een bepaalde zin behouden voor een
poëtische houding, voor een ori-
ginele formulering, en hij uit zich op slag duister en hoogst avontuurlijk, in
dezelfde mate niet bij machte zijn nevelige
opgeborrelde geestelijke bubbels vast te houden of aan de herinneringen een
nieuwe wending of een duidelijke con-
sistentie te geven, en anderzijds zich inspannend om door middel van een hem nog
machtige ongewone vorm en uit-
drukkingswijze als opzettelijk zijn verlegenheid te verbergen […] Op die manier
is hij steeds met zichzelf bezig […] [Hij
is] gewoonlijk zo in zichzelf verzonken dat hij niet de minste aandacht heeft
voor wat er buiten hem gaande is. Er bestaat
een onmetelijke kloof tussen hem en de hele mensheid […] Zo zou hij, als hem
was verteld dat ik gestorven was, met een
grote gemoedsaandoening gezegd hebben: Here Jezus, is hij gestorven!’ ‘
(Bladzijde 253) Morgen verder met dit hoofdstuk 16.