Weer verder met ‘Hölderlin, biografie van een mysterieuze
dichter’ van Rüdiger Safranski.
Verder met
Hoofdstuk 16
‘Dan verdwijnt die kloof en daarmee ook de kwellende wil tot zelftoeëigening.
Men geeft zich over aan de stroom.
Dat was de aard van die onophoudelijke zelfgesprekken die Hölderlin met zichzelf
voerde. Daar zat ook zeker iets
dwangmatigs in, maar ze zijn er ook een aanwijzing voor dat Hölderlin intussen
goed met zichzelf overweg kon. Dat
mag men autisme noemen, op voorwaarde dat men de zelfbeschermende functie ervan
begrijpt: het behoedde Höl-
derlin er namelijk voor om door de eisen van het sociale volledig vernietigd te
worden.
Waiblings portret benadrukt het gebrek aan verbinding en komt in de buurt van
de diagnose waarvoor later het be-
grip ‘schizofrenie’ zal worden gebruikt.
De jonge Christoph Schwab ervoer intussen nog een andere, meer toegankelijke
Hölderlin.
Bij zijn eerste bezoek, in januari 1841, speelt Hölderlin piano, geheel in
zichzelf verzonken. Schwab is aangedaan,
er komen tranen in zijn ogen: ‘Het leek hem te bevallen dat ik zo geroerd
was,’ noteert hij in zijn dagboek (MA III, 666).
Hölderlin had een fijne neus voor het onwillekeurige, het spontane in het gedrag
van anderen.’
(Bladzijde 254) Morgen verder met dit hoofdstuk 16.