Weer verder met ‘Hölderlin, biografie van een mysterieuze
dichter’ van Rüdiger Safranski.
Verder met
Hoofdstuk 16
‘Daarop kon hij gepast reageren. Als hij opzet bemerkte, was hij ontstemd. Dat
had Schwab begrepen, in tegen-
stelling tot vele andere bezoekers, en hij paste zijn gedrag daarop aan. Hij
bevrijdde zich van zijn verkramptheid
en stelde Hölderlin in staat hetzelfde te doen: ‘[Ik] gedroeg me ongedwongen,
vrij en wellevend’ (MA III, 666 ev.).
Schwab begint over ‘Hyperion’ te praten, dat op de vensterbank lag. Hij
vraagt Hölderlin er iets uit voor te lezen.
Dat stond Hölderlin kennelijk niet aan, want hij bracht alleen maar onzinnige
woorden uit, enigszins onrustig. Maar
hij veranderde zijn gedrag onmiddellijk toen Schwab zei dat hij hem zijn
lievelingspassage wilde tonen. ‘Ik moest
even naar een van de mooiste passages zoeken; toen ik aan het bladeren was, boog
hij op zeker moment zijn
hoofd helemaal naar mij over, en in zijn gebroken ogen glansde een zacht
schijnsel, dat me deed denken aan de
idealiserende verliefde vriendschappen in het Stift en daarmee aan de dichter van
de ‘Hyperion’, die ze op zulke
hemelse wijze verheerlijkt had’ (MA III, 667). Schwab, die op dat moment zelf
nog in het Stift zat, voelt zich herin-
nerd aan zijn eigen ‘verliefde vriendschappen’.’
(Bladzijde 254-255) Morgen verder met dit hoofdstuk 16.