Weer verder met ‘Hölderlin, biografie van een mysterieuze
dichter’ van Rüdiger Safranski.
Verder met
Hoofdstuk 17
‘In Hölderlins laatste jaar in Homburg, 1805-1806, vormde er zich in het
nabijgelegen Frankfurt rond Bettine
Brentano (sinds 1811 Bettine von Arnim) een eerste kring van bewonderaars van
Hölderlin, die daar zelf waar-
schijnlijk niets van meegekregen heeft. Het was het eerste bedrijf van zijn
postume geschiedenis nog bij zijn
leven.
Bettine vertelt ruim dertig jaar later in haar boek over de dichteres Karoline
von Günderode, hoe Sinclair in
in de winter van 1805-1806 bij haar en haar vrienden de trom geroerd heeft voor
de ‘zieke Hölderlin’ (B.v.A.,
‘Die Günderode, 428), van wie ze enige gedichten kende die zij bewonderde.
Haar eerste impuls was om naar
Homburg te gaan om voor hem te zorgen. Sinclair had haar aangemoedigd, vertelt
zij, en had tegen haar gezegd:
‘ja, als dat zou kunnen, hij zou gezond worden, want het is zeker dat hij de
grootste elegische dichter is […] een
heilig onderpand van God voor de natie […] maar […] niemand heeft een
vermoeden en weet wat voor heiligs er
in die man zit […]’ (id., 229).
Bettine schrijft dit op veel oudere leeftijd, en daarom blijft het de vraag of
ze Hölderlin al eerder echt uitverkoren
had als haar zielengids.’
(Bladzijde 257) Morgen verder met dit hoofdstuk 17.