Weer verder met Peter Verhelst; ‘Mondschilderingen’.
‘Een lichaam dat op mijn rug kleefde als een kat. Een neus die mij inademde en
een mond
die woorden uitademde. Zo stond ik, bevroren, met opengesperde ogen en vingers,
met die
armen onder mijn armen en die buik tegen mijn rug. Een vingernagel schreef de
woorden op
mijn wang. ‘In die tijd waren de bossen nog weelderig en donker. Daar trokken
we ons terug.
Ik had hem maar te volgen. Hij had zijn hele leven de bossen verkend om mij daar
te kunnen
brengen.’ De vingernagel schreef verder op mijn hals. ‘Ik wist dat hij hoorde
aan het ruisen van
mijn jurk hoe ik mijn linkerbeen voor mijn rechterbeen schoof. Hij wist dat ik
zijn adem hoorde
bij elke stap die hij deed. Op een bepaald moment kon hij het niet meer
houden.’ De vingers
schoven de rits van mijn jas open en knipten een knoop open. ‘Hij trok zijn
kleren uit en het was
alsof het vroor, zo knetterden zijn kleren. Ik deed hetzelfde. Natuurlijk deed ik
hetzelfde. Mijn li-
chaam glimlachte.’ De vingernagel schreef verder op mijn borstbeen. ‘Ik glom
als opgewreven
metaal.’ ‘
(Bladzijde 15) Morgen verder met ‘Mondschilderingen’.