Weer verder met ‘Hölderlin, biografie van een mysterieuze
dichter’ van Rüdiger Safranski.
Verder met
Hoofdstuk 9
‘De natuur is hier niet alleen een spiegel van het verlangen, iets waar je
zacht in wilt opgaan, maar een titanen-
macht die de mens zijn grenzen doet ervaren, maar hem ook oproept tot
onafhankelijkheid. De wereld van de men-
sen en de wereld van de natuur gaan gescheiden wegen, ieder op zichzelf machtig,
maar toch zo innig op elkaar be-
trokken dat zelfs een gesprek met bomen mogelijk lijkt. Je ervaart de troost van
de natuur alleen als je je er niet in
verliest.
Het is misschien geen toeval dat pas op het moment van het afscheid van de
droom over het opgaan in de natuur
deze zich dan pas prachtig concreet kan tonen, en ze niet, zoals tot dusverre,
door lyrische retoriek in de abstractie
vervluchtigd wordt. Schiller, die zelf leed aan die zwakte van de abstractie,
heeft waarschijnlijk de nieuwe, ongehoor-
de kwaliteit van dat gedicht gezien, want hij liet het meteen in ‘Horen’
afdrukken.’
(Bladzijde 140) Morgen verder met hoofdstuk 10.