Weer verder met ‘Hölderlin, biografie van een mysterieuze
dichter’ van Rüdiger Safranski.
Verder met
Hoofdstuk 10
‘Nog eenmaal herleeft de innige vriendschap met Alabanda, die ondanks zijn
teleurstelling van zins is vast te houden
aan de wereld van het revolutionaire handelen, hoewel hij moet vrezen dat zijn
revolutionaire kameraden, verenigd in
een wraakverbond, hem naar het leven zouden kunnen staan. Alabanda vermoedt dat
het een ‘reis naar het bloedge-
richt’ (MA I, 742) zou kunnen worden, als hij de roep van de medesamenzweerders
volgt. Maar dat weerhoudt hem er
niet van, hij vertrekt. In de afscheidsscene laat Hölderlin Hyperion optreden
als aanhanger van Fichte, als iemand die
zijn ik, zijn vrijheid en zijn handelingen naar de grootsheid drijft: ‘Ik voel
in mij een leven dat geen god geschapen en
geen sterveling verwekt heeft. Ik geloof dat we door onszelf zijn, en alleen uit
vrije begeerte zo innig met het al verbon-
den’ (id.).
Het was Hölderlin waarschijnlijk opgevallen dat Alabanda tot dat moment nog
nooit zo drastisch in de geest van Fichte
opgetreden had, want hij laat Hyperion onthutst antwoorden: ‘Zoiets heb ik nog
nooit van jou gehoord’ (id.).
Hyperion wil juist weer naar Diotima terugkeren als hij van haar een lange
afscheidsbrief krijgt en kort daarop het nieuws
van haar dood.’
(Bladzijde 149) Morgen verder met dit hoofdstuk 10.