Weer verder met ;’Hölderlin, biografie van een mysterieuze
dichter’ van Rüdiger Safranski.
Verder met
Hoofdstuk 10
‘ ‘Aan de ene kant lijkt […] de gerechtvaardigste behoefte van mijn geest
te verlangen een omstandigheid te verlaten
waar steeds twee partijen gevormd worden voor en tegen mij, waarvan de ene me
bijna overmoedig en de andere me
vaak neerslachtig, droef en soms wat bitter maakt’ (MA II, 673). Susette dus de
‘partij’ die hem ‘overmoedig’ maakt, en
de andere vijandige ‘partij’ zou dan die van de heer des huizes zijn. Moet
hij het huis verlaten om aan die verscheuren-
de spanning te ontsnappen? Dat zijn liefde voor Susette hem voorlopig nog
vasthoudt, kleedt hij in met de woorden: ‘En
ook de mensen onder wie ik leef zijn toch niet zo dat ik het over mijn hart kan
verkrijgen hen in onvrede te verlaten, en
op een zachtaardige manier weg te komen vind ik heel moeilijk’ (id. 674).
Enkele maanden later, rond 27 september 1798, kwam het tot een schandaal als
gevolg waarvan Hölderlin meteen het
huis verliet. Wat er precies gebeurd is, is niet exact te reconstrueren.
Hölderlin heeft er in zijn bewaard gebleven brieven
geen informatie over gegeven. Het zal wel een denigrerende opmerking van Gontard
aan het adres van Hölderlin geweest
zijn. Het was waarschijnlijk geen expliciete jaloeziescene, daarvoor voelde
Gontard zich sociaal te superieur.’
(Bladzijde 157) Morgen verder met dit hoofdstuk 10.