Weer verder met ‘Hölderlin, biografie van een mysterieuze
dichter’ van Rüdiger Safranski.
Verder met
Hoofdstuk 11
‘De dood van Empedocles is een ‘voorschijnsel’ (MA I, 875), hij anticipeert
in de individuele ‘hoogste innigheid’ op iets
algemeens dat nog komt.
Jezus, de belichaming van de liefde, wordt gekruisigd. Hij is in eminente zin
een slachtoffer. Maar Empedocles? Als
de inwoners van Agrigento hem zouden hebben gedood, dan zou ook hij slachtoffer
geworden zijn. Maar hij gaat vrij-
willig de dood in, die voor hem geen einde is, maar een doorgang: ‘aan de dood
ontbrandt mij/ het leven zich […]
(MA I, 833; v. 1792 ev.).
En toch – ondanks die vrijwilligheid houdt Hölderlin eraan vast dat
Empedocles een ‘tragische persoon’ is die tot
slachtoffer wordt gemaakt. De offerzin bij Empedocles kan alleen verduidelijkt
worden door de geschiedfilosofische
beschouwing van het essay over de tragedie: Empedocles is te vroeg, de
gemeenschap kan hem nog niet volgen. Het
is nog niet de tijd voor de algehele verzoening. Empedocles is een voorloper die
het slachtoffer wordt van de gang van
de geschiedenis, want geschiedfilosofisch geldt: ook wie te vroeg komt wordt
gestraft. Maar in het stuk wordt die gedachte
sacraal en pathetisch geformuleerd:’
(Bladzijde 169) Morgen verder met dit hoofdstuk 11.