Weer verder met ‘Hölderlin, biografie van een mysterieuze dichter’ van Rüdiger Safranski.
Verder met
Hoofdstuk 11
‘’De goddelijke natuur openbaart
Zich goddelijk vaak door mensen.
Doch heeft de sterfelijke, wie zij het hart
Met haar verrukking vulde, haar verkondigt,
O laat ze dan breken het vat
Opdat het niet te anderen nutte diene.’
(MA I, 827; v. 1617 – 1622)
De ‘tragische dichter’, schrijft Hölderlin, verloochent […] zijn persoon’, ook wanneer hij ‘zijn diepste innigheid […] tot
uitdrukking brengt’ (MA I, 866 ev.). Die opmerking in het essay over de tragedie duidt aan dat de kunstvorm van de
tragedie weliswaar de pretentie heeft objectief te zijn, maar dat Hölderlin daarin wel iets eigens ter sprake wil brengen.
Wat is dat eigene?
Het is de met Empedocles uitgebeelde afwisseling van goddelijke ogenblikken en het troosteloze alledaagse leven,
tussen volheid en leegte dus, die Hölderlin vertrouwd was en waaronder hij leed.
Het is de politisering van de verzoeningsmystiek die van Hölderlin een republikein maakt en die hij in zijn hoofdper-
soon projecteert.’
(Bladzijde 170) Morgen verder met dit hoofdstuk 11.