Weer verder met ‘Hölderlin, biografie van een mysterieuze
dichter’ van Rüdiger Safranski.
Verder met
Hoofdstuk 12
‘Het is een beweging van het zich openen die zich hier voltrekt onder de
‘glimlach’ der goden, merkbaar tot in de
bouw van de verzen, die aanvankelijk streng en daarna als op vleugels klinken. In
de eerste strofen omsluiten de
vers-paren in de regel telkens een zin, wat de indruk van afgemetenheid wekt; in
de laatste strofe is het dan één
enkele zin, die over zes versregels dartelt:
‘Maar mooi is de plek als op de feestdagen van de lente
Opengegaan het dal, als langs de Neckar omlaag
Weiden groenend en bos en al die groenende bomen
Talloos, bloeiend wit, deinen in wiegende lucht,
Maar met wolkjes bedekt langs de bergen omlaag de wijnstok
Schemert en groeit en warmt onder de zonnige geur.’
(Id,; v. 35-40)
(Bladzijde 181) Morgen verder met dit hoofdstuk 12.