Weer verder met ‘Hölderlin, biografie van een mysterieuze
dichter’ van Rüdiger Safranski.
Verder met
Hoofdstuk 12
6
‘En nu denkt hij te eren in ernst de zalige goden
Echt en waarachtig moet alles verkonden hun lof.
Wat niet de verhevenen zint, mag niet in het licht,
Voor de Ether past ledige poging niet.
Dus om nu de hemelsen waardig te zijn,
Richten in heerlijke ordening volken zich op
Onder elkaar en bouwen fraaie tempels en steden
Stevig en edel, ze rijzen boven oevers op –
Maar waar zijn ze? waar bloeien de roemrijke kransen van het feest?
Thebe verwelkt, en Atheen; ruisen de wapenen niet meer
In Olympia, niet de gouden wagens van het kampspel,
En kronen zich nimmer de schepen van Korinthië?
Waarom zwijgen ook zij, de oude, de oude heilige theaters?
Waarom verheugt zich dan niet de gewijde dans?
Waarom tekent, als eens, een god niet het man’lijk voorhoofd,
Drukt de getroffene, als eens, niet de stempel meer op?
Of hij kwam ook zelf en nam aan de gedaante van mens
En voltooide en sloot troostend het hemelse feest.’
(Bladzijde 195) Morgen verder met dit hoofdstuk 12.