Weer verder met ‘Hölderlin, biografie van een mysterieuze
dichter’ van Rüdiger Safranski.
Verder met
Hoofdstuk 13
‘Wat een geluk dat te mogen meemaken! Even zijn de verdere beslommeringen en
wensen vergeten. In die zin kon
hij later ook aan zijn uitgever Wilmans schrijven: ‘Overigens zijn
liefdesliederen altijd moede vlucht […] ; van een an-
dere orde is de verheven en zuivere jubel van vaderlandse gezangen’ (december
1803; MA II, 927).
In het voorjaar van 1801, na de vrede van Lunéville, was in Hölderlins ogen
dat historische moment van verzoening
dus nabij, en vanuit dat gevoel ontstonden de eerste ontwerpen voor de grote
hymne ‘Vredesfeest’.
De hymne in zijn latere vorm zal ver boven het vaderlands-politieke uitstijgen
en zich verheffen tot het feest van een
eschatologische gebeurtenis, opgevat als een verzoening van alle met elkaar in
conflict verkerende levenskrachten en
alle daaraan deelnemende goden. Het einde van het verhaal is de verschijning van
de god over de goden. In de eerste
ontwerpen is overigens de aansluiting bij het werkelijke vredesverdrag nog heel
duidelijk:
Verzoenender gij die nooit gedacht
Er nu bent, de vorm van een vriend mij
Aanneemt onsterfelijke, maar wel
Erken ik het hoge
Dat mij de knie doet buigen,
En bijna als een blinde moet ik
U, hemelse [bode], vragen waartoe gij voor mij,
Waarvandaan gij komt, zalige vrede!
(MA I, 356 en 359; v. 1-8)’
(Bladzijde 205-206) Morgen verder met dit hoofdstuk 13.