Weer verder met ‘Hölderlin, biografie van een mysterieuze
dichter’ van Rüdiger Safranski.
Verder met
Hoofdstuk 13
‘Maar zoals gezegd, dat inzicht houdt hij tegenover Schiller achter, uit angst
al te onbescheiden te lijken. Hölderlin
wilde graag door Schiller geholpen worden, maar hij wilde hem in geen geval
belasten. Daarom schrijft hij op het
eind van zijn brief: ‘Als u het (= het docentschap) afraadt; dan kan ik
rustiger iets anders zoeken, en ik zal zien hoe
ik me overeind houd’. Duidelijk is de poging om de ernst van het geestelijke
gevaar, waarvan eerder sprake was,
weer te doen vergeten.
Schiller heeft op deze brief niet geantwoord. Hölderlin schreef ook aan
Niethammer, zijn oude vriend uit de tijd in
Tübingen en nu hoogleraar in Jena, en vroeg om hulp bij het vinden van een baan
daar. Maar ook die antwoordde
niet.
Het zijn niet alleen, maar toch ook die twee afwijzingen die Hölderlin
aanleiding geven in zijn afscheidsbrief aan
Böhlendorff te zeggen: ‘Maar ze kunnen me niet gebruiken’ (MA II, 914).
Een lichtpuntje: in augustus 1801 bereikte hem het nieuws dat uitgever Cotta
van plan was in het daaropvolgende
voorjaar een dichtbundel van hem uit te brengen. Om daarvoor reclame te maken
moest Hölderlin een zogenaamd
lievelingsgedicht voor de ‘Damenkalender’ van Cotta ter beschikking
stellen.’
(Bladzijde 212-213) Morgen verder met dit hoofdstuk 13.