Weer verder met ‘Hölderlin, biografie van een mysterieuze
dichter’ van Rüdiger Safranski.
Verder met
Hoofdstuk 13
‘Zijn het zijn schuldgevoelens die hem allang dwarszitten, omdat zijn broer
geen academische opleiding mocht vol-
gen? Is het zijn slechte geweten over de omstandigheid dat hij enerzijds partij
kiest voor de ‘openheid van het hart’
(id.) en die ook van de ander verlangt, terwijl hij anderzijds zijn broer lang
niet in alles inwijdt wat hem aan het hart
gaat? Geen woord bijvoorbeeld over Susette.
Dan de laatste, zeer belangwekkende brief vóór zijn vertrek aan de
‘dierbare’ Böhlendorff. Hij neemt de tijd om zijn
vriend eerst uitvoerig zijn gedachten uiteen te zetten over het verschil tussen
‘klassieke en vaderlandse literatuur en
hij komt dan te spreken over zijn aanstaande vertrek. Je voelt zijn treurnis en
pijn om het afscheid, maar ook zijn reis-
lust en zijn drang naar het verre: ‘op de aanblik van de zee, op de zon van de
Provence verheug ik me’ (MA II, 913);
ten slotte komt hij er, Goethes ‘Grenzen van de mensheid’ vrij citerend, met
een vermetele bezieling toe iets verhevens
te ontdekken in de wending die zijn lot neemt:’
(Bladzijde 214) Morgen verder met dit hoofdstuk 13.