Weer verder met ‘Hölderlin,biografie van een mysterieuze
dichter’ van Rüdiger Safranski.
Verder met
Hoofdstuk 14
‘De familie overwoog aanvankelijk Hölderlin toe te vertrouwen aan de zorgen
van een plattelandsdominee, maar
zag er toch van af, omdat ze vreesde dat Hölderlin zou menen nu alsnog door het
consistorie gedwongen te zijn in
een door hem gehate predikantenbaan – en dan zou hij pas echt in razernij
vervallen. Hij bleef voorlopig bij zijn moe-
der. Er werd een arts bij gehaald. De familieleden leerden geleidelijk aan dat
het ’t beste voor Hölderlin was hem lief-
devol met rust te laten. Wat hem bijzonder goed deed, was toen een aan de familie
aanbevolen ‘getalenteerde jonge-
man’ werd uitgenodigd hem voor te lezen uit Homerus. Dat bracht zijn woelingen
‘wonderbaarlijk tot bedaren’ (St.A.
7.2., 223). De ‘jongeman’ die zo kalmerend uit Homerus kon voorlezen, was
overigens een voorvader van Max Planck.
Eind september 1802 had Hölderlin zijn evenwicht weer voldoende hervonden om
de uitnodiging aan te nemen zijn
vriend Sinclair te begeleiden op diens dienstreis naar Regensburg, naar de
‘Reichsdeputation’. Sinclair verzekerde la-
ter dat hij ‘nooit een grotere geestes- en zielskracht als toen’ bij
Hölderlin had gezien (gecit. naar Chronik, 90). Maar
dat is in tegenspraak met een andere uitlating van Sinclair tijdens het proces
wegens hoogverraad in 1805.’
(Bladzijde 222) Morge verder met dit hoofdstuk 14.