Weer verder met ‘Hölderlin, biografie van een mysterieuze
dichter’ van Rüdiger Safranski.
Verder met
Hoofdstuk 14
‘Maar omdat de situatie intussen veranderd was – ‘de huidige filosofen,
verlichters en afschaffers verwateren de
Schrift en de theologie’ – kwam het erop aan ‘korte metten te maken met hun
exegetische dromen’ (gecit. naar KA
I, 970). Klopstock had erop geantwoord dat hij het verzoek eervol vond, maar zich
- vanwege zijn ouderdom – niet
meer in staat achtte eraan te voldoen.
Waarschijnlijk had Hölderlin ervan gehoord. Of hem er door de landgraaf
uitdrukkelijk om is gevraagd of niet, in
elk geval begon Hölderlin nog in Regensburg te werken aan zijn ‘Patmos’ –
hymne, waarvoor hij al aanzetten had
gemaakt en die hij aan de landgraaf wilde opdragen. Het eerste netschrift ervan
maakte hij begin 1803 en hij liet
het via Sinclair aan de landgraaf overhandigen bij gelegenheid van diens 55ste
verjaardag; de landgraaf nam het
‘in dank en met vreugde’ (MA II, 923) in ontvangst. Of de landgraaf die hymne
in pindarische stijl – vrij ritme, triadi-
sche opbouw: driemaal drie strofen – ook begrepen heeft, laten we even in het
midden, want deze hymne maakt
het de lezer niet makkelijk, en Hölderlin had er zelf ook grote moeilijkheden
mee. Zijn moeder schreef in een brief
aan Sinclair dat Hölderlin zich vaak niet ‘goed genoeg gestemd vindt’ (MA
III, 611) om het omvangrijke gedicht te
voltooien. Wat hij aan de landgraaf stuurde, was dan ook een eerste versie.’
(Bladzijde 223) Morgen verder met dit hoofdstuk 14.