Weer verder met ‘Hölderlin, biografie van een mysterieuze
dichter’ van Rüdiger Safranski.
Verder met
Hoofdstuk 16
‘Op 7 juni 1843 schreef Lotte Zimmer, die Hölderlin sinds de dood van haar
vader liefdevol verzorgde, aan Karl
Gok:
‘Ik vervul de eer u de zeer droevige boodschap mee te delen over het zachte
verscheiden van uw geliefde broer,
sinds enkele dagen had hij een catarre en we vonden hem bijzonder verzwakt,
waarop ik naar professor Gmelin ben
gegaan en Hij een medicijn kreeg en die avond nog speelde Hij en at in onze kamer
’s avonds ging Hij naar bed maar
moest weer opstaan en zei tegen mij Hij kon van bangigheid niet in bed blijven nu
sprak ik hem toe en week niet van
zijn zijde Hij nam kort nog medicamenten maar Hij werd steeds banger er was ook
een meneer uit ons huis bij hem en
een andere meneer die bij hem gewaakt had met mij maar nu overleed Hij zacht
zonder nog een bijzondere doodstrijd
te hebben mijn moeder was ook bij Hem maar aan sterven dacht niemand van ons de
ontzetting is nu zo groot dat ik
niet meer kan huilen, en toch Onze-Lieve-Heer in de hemel duizendmaal moet danken
dat Hij geen zwaar sterfbed heeft
gehad en onder duizend mensen weinigen zo sterven als Uw geliefde broer is
gestorven’ (MA III,674 ev.).
Op 10 juni 1843 vond de begrafenis plaats, bij storm en regen. Van zijn
vrienden en bekenden, en van het college van
docenten, was niemand aanwezig. Maar honderd studenten volgden de kist.
Hölderlins toekomst was kennelijk toen al
begonnen.’
(Bladzijde 255-256) Dit was hoofdstuk 16; morgen verder met hoofdstuk 17.