Weer verder met Peter Verhelst; ‘Mondschilderingen’.
‘Hoeveel stenen er ook aangesleept en op elkaar gestapeld werden, we bleven
rond die
stenen wal graven tot het water opborrelde. Wij zijn altijd goed geweest in het
bedenken
van een zee. Zoals we altijd goed geweest zijn in het bedenken van de moeilijkste
oplos-
sing. Is het toevallig dat onze stad de vorm aangenomen heeft van hersenen? Niet
waar.
Ze heeft de vorm van een hart. Hoe kan het ook anders voor een stad waarin het
water
zichzelf omhelst. Vandaar dat er nu nog van heinde en ver mensen komen die hier
de lief-
de willen vinden. We zien ze lopen langs de straten en sommigen van ons sturen
hen de
verkeerde kant op als ze ons in hun verhakkelde taal aanspreken. Sommigen doen
alsof
ze doof zijn. Anderen noemen hun prijs. Enkelen zeggen gewoon: ‘Sluit je ogen.
Strek je
armen uit. Voel mijn warmte. Volg de warmte.’
Er is een plek in de stad waar het water stilstaat alsof het betoverd is. Het is
er altijd donker,
omdat de nacht het uitgelezen tijdstip is voor liefde en gevaar. Wie aan de
boorden van Lac
d’Amour zit, komt terecht in een wereld die bestaat uit handen, monden en
gefluister.’
(Bladzijde 13) Morgen verder met ‘Mondschilderingen’.