Weer verder met Peter Verhelst; ‘Mondschilderingen’.
‘Het is onmogelijk precies te zeggen wanneer het begon. Tijd is een begrip dat
niet noodzakelijk
in een datum te vatten is. We zeiden: ‘Op een dag doken ze op’, maar we
bedoelden: ‘Op een dag
sprak iemand erover’. Zelfs als die woorden uit de mond kwamen van een man die
een fles als een
megafoon voor zijn lippen hield. Hij stond op straat, brulde dat hij wekenlang
niet meer had geslapen
en nam de fles tussen zijn tanden. Niemand leek te luisteren. ‘Daar!’ riep
hij. ‘Daar heb ik ze gezien!’
Met zijn linkerhand wees hij naar de wolken. De fles spatte tegen een gevel
kapot. De meeste mensen
liepen door met het hoofd in de kraag. Iedereen wist wat de man bedoelde.
’s Nachts hadden we het gevoel dat schaduwen over de daken gleden en ons uit de
slaap hielden. We
werden midden in de nacht wakker met onze handpalmen op de ruiten en met het
hoofd in de nek, alsof
we ‘zoals op de eerste nacht’ naar de hemel stonden te kijken. Aan de hemel
was niets te zien. We dron-
ken een glas water en stapten opnieuw in bed.’
(Bladzijde 10-11) Morgen verder met ‘Mondschilderingen’.