Weer verder met Peter Verhelst; ‘Mondschilderingen’.
‘Ben ik genezen?
Af en toe ga ik ’s avonds naar mijn vrienden. We hoeven geen verhalen meer te
vertellen.
Soms komen er meisjes langs die een van ons uitpikken.
Op een avond was het mijn beurt. Ik herinner me haar naam niet. We liepen
gearmd door
de straten. Een muntstuk besliste of we naar haar huis of naar dat van mij zouden
gaan. We
dronken wijn bij kaarslicht. We aten uit hetzelfde bord. Ik liet haar het
stukgeslagen raampje
zien en vertelde haar over de daken en over de nesten, maar zij legde een vinger
op mijn lip-
pen.
Op bed liet ik haar luisteren naar de ademhaling van een slapend meisje. Ze
legde haar han-
den op mijn slapen en trok mijn hoofd naar zich toe. In haar haren hoorde ik
woorden die daar
eerder werden ingefluisterd. Ik ademde ze in. Ze hield de zakjes klaar en daar
ademde ik ze in
uit.
Daarna legde ze mijn oor tegen haar wang. De klank van haar kussen was die van
bosbessen
die tussen verhemelte en tong worden geplet.’
(Bladzijde 39) Morgen verder met ‘Mondschilderingen’.