Weer verder met Peter Verhelst; ‘Mondschilderingen’.
‘Ik hoorde de ademhaling van het meisje. Ik hoorde meer dan de ademhaling
van het meisje.
Het was alsof iemand op mijn rug sprong en begon te fluisteren. Nee. Het was
alsof het was als-
of het was alsof het was…
Natuurlijk was ik van streek. Natuurlijk bracht ik koortsachtig de geschenken
opnieuw naar mijn
oren in de hoop opnieuw een glimp op te vangen van dat onuitsprekelijke,
verwarrende gevoel.
Het meisje had me geroepen.
Ik stond aan de rand van de Lac d’ Amour. Ik strekte mijn armen uit, haalde
diep adem en sprong.
Tijdens mijn val zag ik dingen die je normaal alleen maar ziet als je sterft,
of als je droomt. Din-
gen die je normaal alleen maar ziet op die enkele ogenblikken die de moeite waard
zijn om te leven.
Ik zag niets
Het was alsof ik op de top van een heuvel zat en de hele wereld in één blik
kon overschouwen. De-
tails die krioelden als kokende rijstkorrels. Onuitsprekelijkheden. Dingen die
kleiner waren dan een erwt
en even later uitdijen als een heelal.’
(Bladzijde 37-38) Morgen verder met ‘Mondschilderingen’.