Weer verder met Peter Verhelst; ‘Mondschilderngen’.
‘Traag brak ik een stukje van de chocoladekoek en liet het vallen. De eenden
stroomden toe.
Toen de koek op was, trok ik mijn hoofd terug en hield mijn adem in. Maar toen ik
even later
mijn hoofd met een ruk over de rand bewoog, waren de kinderen verdwenen.
Fantomen.
Onzin. Ik liet dagelijks koeken op het brugje liggen en zij zorgden ervoor dat ik
af en toe iets
onder mijn kussen vond. Als ik hun geschenken na elkaar tegen mijn oor hield,
hoorde ik de
ademhaling van een slapend meisje.
In de stad ging het leven zijn gewone gang. Mensen ontwaakten soms met dikke
ogen, alsof
ze te veel hadden gezien in hun dromen. Sommigen hadden stramme spieren, alsof ze
tijdens
hun slaap lange tochten hadden ondernomen. Anderen glimlachten de hele tijd en
als je hun
vroeg waarom, antwoordden ze zuchtend dat ze het niet onder woorden konden
brengen, maar
dat het in hun spieren had plaatsgenomen, iets wat verwant was aan pijn, maar ook
aan iets
waar ze niet in het openbaar over wilden spreken. Hun blos vertelde genoeg.’
(Bladzijde 35-36) Morgen verder met ‘Mondschilderingen’.