Weer verder met Peter Verhelst; ‘Mondschilderingen’.
‘Hier happen de vissen de namen als broodkruimels van het wateroppervlak.
Misschien komt het
daardoor dat ze dikker zijn dan de arm van een man en dat ze glanzen als zilveren
armbanden. Som-
migen schrijven namen op die roder zijn dan lippen. Hoe zou het anders komen dat
de kieuwen zo
dooraderd zijn? Andere namen zijn even heet als kussen, waardoor de vissen ’s
nachts als sterren
in het zwarte water gloeien. Sommige namen sissen en schuimen als ze het water
raken. De volgen-
de ochtend drijft de vis met de buik omhoog, opgezwollen, vaal, vergiftigd. Nog
geen uur na zonsop-
gang is de vis al uit het water geschept.
(Het is oud gebruik. Een stad als die van ons lijkt op een mausoleum –
opgebaarde huizen, schouder
aan schouder, kist naast kist – maar nergens is er een lijk te vinden. Die worden
geruisloos de stad uit
gesmokkeld en aan het vuur of aan de grond gegeven. Buiten de stad. Dichter bij
de zee misschien.
Maar vooral: uit het oog. Weg. Opgeruimd.)’
(Bladzijde 33-34) Morgen verder met ‘Mondschilderingen.