Weer verder met Peter Verhelst; ‘Mondschilderingen’.
‘Ik legde mijn oor op de plek. Ik hoorde niets. Toen merkte ik de vlek op. Ik
liep van de ene
vlek naar de andere, maar alle stemmen waren verdwenen.
Ik weet niet meer hoe ik boven op het huis kwam. De daken glommen als de pels van
een
zeehond. Ik zag hoe de hemel doordrenkt en zwaar boven de huizen hing. Die nacht
zag ik
schaduwen rennen die bevroren als ik mijn hoofd in hun richting draaide. De
nesten op de
daken leken behaard, als natte pels. De wolken schoven roetzwart voor de maan,
zodat ik
zelfs mijn eigen hand niet meer zag. Het duister was even massief en
ondoordringbaar als
aan de Lac d’Amour. Met wijd opengesperde ogen zat ik op het dak en klemde me
aan de
nok vast. Hoewel ik elk gevoel voor oriëntatie kwijtraakte, bleef ik voor me uit
herhalen dat
de diepte begon waar de dakpannen eindigden en dat ik moet blijven zitten waar ik
zat. In-
ademen, uitademen. Even zwart als de oceaan. Inademen, uitademen. Iets streek
langs
mijn wang als de staart van een is.’
(Bladzijde 32-33) Morgen verder met ‘Mondschilderingen’.