Weer verder met Peter Verhelst; ‘Mondschilderingen’.
‘Tien stevige vingers en een gebrek aan dieptevrees volstonden om me door
spleten te wurmen
die ik nooit eerder had opgemerkt, om langs gevels van huizen te klauteren, om
over water te klim-
men zonder je kleren nat te maken, omgekeerd hangend aan een brug. Af en toe zag
ik de drie
grote stadstorens opduiken, maar telkens in een andere configuratie, zodat ik na
een tijd niet meer
wist waar ik me bevond.
We kropen langs een harige stam van een wilde wingerd omhoog.
‘Voorzichtig,’ zei de jongen en hij wees me op een rotte dakgoot.
Ik zette mijn voeten zoals hij dat deed. We hurkten neer op de nok van een
dak.
Ik had de stad al eerder uit de hoogte bekeken. Nee. Ik had al op de top van het
belfort gestaan en
ik had er de zee gezien. Denk ik. Hoe hoger je staat, hoe verder je kijkt – zelfs
voorbij het verstand.
Maar om je heen kijken doe je echt niet als je de wolken bijna kunt raken. Dat
doe je pas als je op
een dak zit.’
(Bladzijde 30) Morgen verder met ‘Mondschilderingen’.