Weer verder met Peter Verhelst; ‘Mondschilderingen’.
‘Ik ademde diep in en waagde de sprong. De nacht viel nog voor ik met de ogen
had kunnen
knipperen. Altijd was het nacht aan de Lac d’ Amour. Je deed een stap en je
voet verdween
en sleurde je hele lichaam mee. Alsof je in een kamer vol teer terechtkwam. Een
kamer die
uitzette als de crypte van het Heilig Bloed. Eindeloos. Uitdijend. Je krabbelde
overeind en je
moest opnieuw leren ademen, bewegen, luisteren. Met schuifelende passen. Je
handen voor
je uit. Maar je was zelfs niet eens meer zeker van de aanwezigheid van je handen.
Tot je er-
gens tegenaan stootte. Een boomstam. Haren. Een gezicht. Dacht je. Maar je had je
verstand
als schoenen aan de ingang laten staan.
Natuurlijk hoorde ik allerlei dingen die er niet waren of dingen die door mijn
gebrek aan oriënta-
tie onmogelijke proporties aannamen. Angst maakt de dingen groter dan ze zijn.
Net als liefde.
(Al betekenen die twee misschien hetzelfde. Misschien gebruiken we twee woorden
alsof we het
over gescheiden begrippen hebben, in de hoop dat het ene afneemt naarmate het
tweede toe-
neemt. Of misschien slaat angst alleen maar op wat komt en liefde op wat
misschien niet zal ko-
men.)’
(Bladzijde 28) Morgen verder met ‘Mondschilderingen’.