Weer verder met Peter Verhelst; ‘Mondschilderingen’.
‘We knikten en vulden aan: ‘Wat je kunt pakken, moet je pakken.’ Ik vermoed
dat niemand
de imkers alle stemmen aangewezen had. Tijdens slapeloze nachten hoefde ik mijn
vinger
maar even uit te strekken om haar stem te horen.
Steen en water. Stollen en smelten. Twee woorden lijken voldoende om onze stad te
definië-
ren. Elk jaar gebeurt het opnieuw. We komen samen in een crypte die volgens de
wetten van
de geometrie te klein is om ons allemaal te kunnen bevatten. Komt het door de
verhalen over
de vermenigvuldiging van broden en vissen dat de muren geleerd hebben uit te
zetten? Of
worden wij gewoon kleiner in die eeuwenoude, compacte duisternis? Of worden we
weer kin-
deren door wat we te zien zullen krijgen? Hoe we het ene na het andere lied
zingen in een taal
die voor het verlangen is gemaakt. Even onbegrijpelijk, onvatbaar, onmogelijk,
majestueus, ver-
heven. Met gespannen halsaders zingen we tot de muren glanzen van onze adem. De
tientallen
kaarsen ontbranden, het glas en de handen worden door de gezangen de lucht in
gestuwd.’
(Bladzijde 25-26) Morgen verder met ‘Mondschilderingen’.