Weer verder met Peter Verhelst; ‘Mondschilderingen’.
‘Als een stemmenwolk roerloos boven een plein blijft hangen, is het onmogelijk
om schaduwen
te verjagen. Hand in hand trokken we door de straten. Ik had aardappelzakken
gevonden in de
kelder en er een broek en een hemd van gemaakt, samengehouden met rafelig touw.
Voor ons
uit liepen schapen en we moesten kijken waar we liepen, omdat ook de paarden ons
waren voor-
gegaan. Uit volle borst zongen we dat we op weg waren naar de plek waar de ster
stil was blijven
staan, wij, samen met onze kudde. Af en toe raapten we een kind op en zetten het
op onze schou-
ders, waar het in slaap viel.
Het doel van de optocht was het marktplein. Nee. Het doel van de optocht was
de vermoeidheid
die ons dingen liet zien die we in het normale leven niet zagen. Toen we het
marktplein opliepen,
voelde ik een hand in mijn hand, maar het kind in mijn nek verhinderde me opzij
te kijken. Het prop-
volle marktplein. Schouder aan schouder. Buik tegen rug. En boven de menigte uit,
twee handen met
een glazen cilinder waarin het bloeddruppels van Christus fonkelden als
diamanten.’
(Bladzijde 26-27) Morgen verder met ‘Mondschilderingen’.