Weer verder met Peter Verhelst; ‘Mondschilderingen’.
‘Ze waren het niet gewoon aan tafel te eten. Terwijl het meisje zich
gefascineerd spiegelde
in het bestek, sprong de jongen de hele tijd op om zijn oor tegen de muur te
leggen. Af en
toe hield hij even op met kauwen, sloot de ogen en fronste de wenkbrauwen.
‘Broer,’ riep het meisje, waarna ze een forse hap nam uit de
chocoladekoek.
‘Wat?’
Ze wees naar de muur. Een vlek waar even voordien zijn wang tegen de muur had
gerust.
Hij rende naar de tafel en nam een hap. Maar het was sterker dan hemzelf. Even
later stond
hij alweer te brommen met zijn hoofd tegen de muur.
Toen ze weg waren, plofte ik neer in de sofa en sloot de ogen. Maar hoe ik ook
probeerde, het
lukte me niet om tot rust te komen. Het onbehaaglijke gevoel een vinger kwijt te
zijn, hoewel je
nog tien vingers aan je hand hebt. Het hele huis controleerde ik. Alle laden.
Alle kasten. Vruch-
teloos. Tot ik afgepeigerd tegen de muur leunde en uit gewoonte naar de plek op
de muren wees
waar de stem verborgen zat die wiegenliedjes zong. Niets.’
(Bladzijde 31-32) Morgen verder met ‘Mondschilderingen’.