Weer verder met Peter Verhelst; ‘Mondschilderingen’.
‘Een kort bevel. De koets zette zich in beweging en loste op in de nacht.
Wij dronken de flessen leeg en zwermden uit.
Ik loop graag langs de reien. Vooral als de avond valt en het water, samen met de
lucht, van
kleur verandert. Tot het een gitzwarte, beweeglijke spiegel is geworden. Als je
je hoofd erbo-
ven houdt, zie je wat je wilt zien.
Ik ging naar het Vissersbrugje en legde er de koeken neer. De kinderen hingen
roerloos onder
de brug.
Ik zat op bed, omringd met tientallen kleine geschenken. Zorgvuldig genummerd en
op een rij
gelegd. Ik sloot de ogen en het ritueel kon beginnen. Één voor één. De
ademhaling van een sla-
pend meisje die ging van linkeroor naar mijn rechteroor en terug.
Men zegt dat onze ogen slechts het medium zijn. Het zijn de hersenen die van
de delen een
geheel maken. Maar het is niet het geheel waar het op aankomt. Het gaat over de
details, de klei-
ne storingen die ons dingen laten zien waar we geen woorden voor hebben – zo
groot en tegelijk
zo onbelangrijk is het geheel geworden – waardoor we als door de hand Gods
geslagen zitten te
kijken als konijnen naar het licht. Hetzelfde geldt voor onze oren.’
(Bladzijde 37) Morgen verder met ‘Mondschilderingen’.