Weer verder met Peter Verhelst; ‘Mondschilderingen’.
‘Mijn vrienden waren niet verbaasd toen ze me zagen. Ze gaven zwijgend de fles
door. Ook bij
hen merkte ik littekens op. Dikke ogen. We wachtten.
Eerst hoorden we het gekletter van de hoeven. Daarna zagen we het licht
opspatten. Bij elke
stap bliksemde het tussen de hoeven van het paard en de straatstenen.
Een van ons had een koets en een paard gekocht om er ’s nachts verliefden
mee door de stad
te voeren. De koets was zwartgelakt als een gondel en kon, om voor de hand
liggende redenen,
afgesloten worden. De kap was beschilderd met taferelen van de grote
liefdesverhalen uit de ge-
schiedenis.
Alles ging snel. Iemand hield het paard in bedwang. Iemand anders borstelde de
flanken van het
paard. Iemand vlocht de staart tot een soepele zweep. Iemand nam de benen van het
paard tussen
de knieën en bond er de fluwelen zakken rond, zodat de stappen van het paard
zouden klinken als
de voetstappen van een minnaar. Ondertussen fluisterde iemand het paard zoete
verhalen in het oor.’
(Bladzijde 36) Morgen verder met ‘Mondschilderingen’.