Weer verder met Peter Verhelst; ‘Mondschilderingen’.
‘ ‘Onze vingers hingen enkele millimeters van elkaar terwijl ons verlangen
ertussen
knetterde en vonkte. Als sterren hing het tussen onze lippen.’ De vingernagel
over
mijn buik. ‘De eerste dagen en nachten leek het alsof we met diamanten overdekt
waren, zo hevig bleven de vlammetjes over ons heen dansen.’ Ik draaide mijn
hoofd
naar die mond toe, maar het hoofd schoof over mijn schouder naar mijn andere oor.
’Naar het schijnt kun je de bliksem vangen door zelf het hoogste punt te zijn
in een
vlakte. Is het daarom dat ik droom dat ik op heldere nachten door het bos sluip,
op
zoek naar een open plek en me daar uitkleed, terwijl ik luister of iemand achter
een
boom staat te ademen, en ik daarna op de toppen van mijn tenen ga staan en mijn
armen tot boven de hoogste bomen uitstrek, tot ik de sterren één voor één uit
de he-
mel zie tuimelen en de stappen op het mos hoor, terwijl de eerste sterren op mijn
tong
smelten als ijskristallen, terwijl ik onmiskenbaar de warmte voel van een hand
die als
een mond van mijn hals naar mijn buik …’ Dezelfde hand leidde me opnieuw naar
de
straat.’ ‘
(Bladzijde 15-16) Morgen verder met ‘Mondschilderingen’.