Weer verder met Peter Verhelst; ‘Mondschilderingen’.
‘Ik herinner me dat ik mijn handen voor me uit hield. Dat ik mensen omhelsde
die mij omhelsden.
Hoewel ik me niet herinner of ik echt iemand tegenkwam. Of het waar was dat ik
inderdaad mijn
hoofd in mijn nek legde en de zwarte lucht opdronk.
Ik weet alleen dat ik op een bepaald moment tegen de gevel van een huis zat en
besloot de ster-
ren te tellen. Dat ik telkens opnieuw moet beginnen. Één oog dicht. Mijn
wijsvinger naast mijn open
oog. Dat de koets die me naar huis bracht, wiegde als een boot. Dat ik op die
tocht twee sneeuwwit-
te zwanen zag. Klapwiekend. Vertraagd. Met verstrengelde halzen. Dat het
paardenoog glansde, als-
of het door een angst werd bezocht. Dat het me bleef aankijken. Hoog in de
nachtelijke lucht. Dat ik
zo lang op bed zat dat ik het verschil niet meer merkte tussen dag en nacht. Dat
ik niet de enige was.
Dat ik ze achter het raam zag staan, bleek als kaarsen. Dat ik zonder aanwijsbare
reden op een dag
opstond en de ramen openzette. Dat ik mijn hoofd naar de zon ophield als naar een
strelende hand.’
(Bladzijde 38-39) Morgen verder met ‘Mondschilderingen’.