Weer verder met ‘Hölderlin, biografie van een mysterieuze
dichter’ van Rüdiger Safranski.
Verder met
Hoofdstuk 10
‘Er zijn passages in de brieven van Hölderlin waarin hij Susette en de
invloed die zij op hem uitoefent op soort-
gelijke wijze beschrijft, bijvoorbeeld in een brief aan Neuffer: ‘kon ik
worden wie ik nu ben […] als niet dit, dit ene
verschenen was en als het niet het leven dat voor mij geen enkele waarde meer had
[…] had verheerlijkt […]’ (MA
II, 624).
In de roman beslaat de beschrijving van het leven met Diotima bijna de helft
van het eerste deel. In het ‘Thalia’ –
fragment vervalt Hyperion tot twijfel aan zichzelf door de volmaaktheid van de
geliefde Melite: hij vindt zich onwaar-
dig. Een dergelijke twijfel aan zichzelf speelt ditmaal geen rol. Hyperion voelt
zich door Diotima verheven – als een
‘adelaar’, schrijft hij in de al geciteerde brief aan Neuffer. Hij voelt zich
haar waardig, alleen wordt hij soms bekropen
door weemoed en treurnis over het afscheid dat hij voorvoelt.
Diotima treedt hem tegemoet als belichaming van de ‘schoonheid’. Daarmee
is niet alleen de lichamelijke fraaie ge-
stalte bedoeld, maar ook de volmaaktheid van haar innerlijke wezen, de harmonie
van gevoel, geest en wellevendheid.
In haar aanwezigheid voelt hij de rijkdom van het zijn.’
(Bladzijde 147) Morgen verder met dit hoofdstuk 10.