Weer verder met ‘Hölderlin, biografie van een mysterieuze
dichter’ van Rüdiger Safranski.
Verder met
Hoofdstuk 11
‘Niet dat hij zichzelf tot god heeft uitgeroepen, is het probleem – dat
verwijten hem alleen zijn tegenspelers – het gaat
erom dat hij de in hem gevloeide goddelijke krachten als eigen bezit heeft
behandeld en voor zijn persoonlijke, zelf-
zuchtige doel gebruikt (‘dat ze jou/de hemelsen, als domme knechten
dienden’). Hij heeft geprobeerd het goddelijke
of de goddelijke natuur – voor hem hetzelfde – aan zich te onderwerpen. In de
verte klinkt hier weer de kritiek door op
Fichtes zichzelf verheerlijkende ik, die in de tweede versie duidelijk naar voren
treedt:
‘[…] alles kan ik beteugelen.
Als het werk mijner handen herken ik het
Geheel en al en stuur het zoals ik wil,
Een heer der geesten, het levende.
Mij is de wereld, en onderdaan
Zijn alle krachten mij.’
(MA I 856 ev.; v. 497 – 502)’
(Bladzijde 167) Morgen verder met dit hoofdstuk 11.