Weer verder met ‘Hölderlin, biografie van een mysterieuze
dichter’ van Rüdiger Safranski.
Verder met
Hoofdstuk 12
‘Aanvankelijk zijn de mensen nogal schuw en gesloten. Er is moed voor nodig
zich open te stellen en zich te
laten vervullen. Maar als dat gebeurt, begint het wonder van de cultuur die
tegenwoordig nog steeds maatgevend
is: ‘Dus om nu de hemelsen waardig te zijn,/ Richten in heerlijke ordening
volken zich op/ Onder elkaar en bouwen
fraaie tempels en steden/ stevig en edel, ze rijzen boven oevers op’ – (MA I,
378; v. 95-98).
En nu dan de breuk, als het onverhoedse ontwaken uit een droom, het is
allemaal voorbij:
‘Maar waar zijn ze? waar bloeien de roemrijke kransen van het feest?
Thebe verwelkt, en Atheen; ruisen de wapenen niet meer
In Olympia, niet de gouden wagens van het kampspel,
En kronen zich nimmer de schepen van Korinthië?
Waarom zwijgen ook zij, de oude heilige theaters?
Waarom verheugt zich dan niet de gewijde dans?’
(Id.; v. 99-104)’
(Bladzijde 191) Morgen verder met dit hoofdstuk 12.