Weer verder met ‘Hölderlin, biografie van een mysterieuze
dichter’ van Rüdiger Safranski.
Verder met
Hoofdstuk 12
‘In de geest van Dionysos vormen zich warme gemeenschappen, die gevaarlijk
kunnen worden, naar binnen
verterend en naar buiten verwoestend. Daarom is er nog de allesdoordringende
goddelijke natuurkracht van de
‘ether’, die door Heinse geroemd was als eigenlijke krachtbron van de Griekse
religiositeit. Misschien heeft Höl-
derlin daarom die ‘elegie’ aan hem opgedragen. Hölderlin noemt de
‘ether’ als macht van de vereffening van de
dionysische overweldiging, die zo beschreven wordt: ‘Waar is het snelle? waar
stort het zich vol alomtegenwoor-
dig geluk/ donderend uit heldere hemel over onze ogen uit?’ (MA I, 376; v. 63
ev.). Als om hulp te zoeken volgt
daarop de aanroeping: ‘Vader Ether! zo klonk het en vloog van tong tot tong/
Duizendvoudig, er verdroeg geen
het leven alleen;/ Verdeeld verheugt zulk goed en geruild met vreemden/ Wordt het
een jubel […] (id.; v. 65-68).
Dionysos is de plotselinge, die het individu aangrijpt; maar ether verleent
duur en houvast, in zijn geest wordt
verdeeld en geruild en saamhorigheid gevestigd en verstevigd.
In de middelste strofen wordt beeldrijk en diepzinnig de gebeurtenis
beschreven als het dag wordt onder de men-
sen, doordat de ‘hemelsen’ zich onder hen mengen.’
(Bladzijde 190) Morgen verder met dit hoofdstuk 12.